Productieproces

Om lekkere fruitige wijnen te krijgen, wordt de wijn in de Beaujolais op een speciale manier bereid. Deze manier van wijnbereiding heet ‘macération carbonique’ (koolzuurgisting) en gaat als volgt:

 

Anders dan in andere gebieden worden de druiven in de Beaujolais met de hand geplukt. De wijnstokken staan namelijk te dicht bij elkaar (zo'n 10.000 per hectare) om er met oogstmachines tussendoor te gaan. Na het plukken gaan de hele druiventrossen in een afgesloten tank waar ze onder druk worden gebracht met koolzuurgas. Door het transport en het gewicht barsten de onderste druiven open en komt de gisting op gang.

 

De druiven in de tank ondergaan ondertussen een intercellulaire gisting (gisting binnen de schil) waardoor kleurstoffen en aroma’s onder de schil in het vruchtvlees worden opgenomen. Het sap wordt vervolgens naar een andere tank getransporteerd en de overgebleven druiven worden geperst. Deze twee ‘wijnen’ worden samengevoegd en gisten op de 'gewone' manier (zie onder) verder. Een tweede gisting waarbij de appelzuren worden omgezet in melkzuren volgt direct hierna.

 

De Gamay-druif is zeer geschikt voor deze manier van wijn bereiden. Het levert fruitige wijnen op die een lage zuurgraad en laag tanninegehalte hebben. Hierdoor smaken ze zacht en soepel en kunnen ze jong gedronken worden.

 

Hoe wordt wijn in andere gebieden bereid?

In andere gebieden worden de druiven machinaal geplukt. Vervolgens worden de steeltjes verwijderd en worden de druiven gekneusd en in kuipen of tanks gedaan. Daar begint een gistingsproces waarbij de suiker in de druiven wordt omgezet in alcohol en koolstof. Tijdens de gisting borrelen de schillen naar het oppervlak, waar ze een dikke massa vormen (de chapeau). Het sap wordt voortdurend over de chapeau gepompt zodat het in aanraking blijft met de schillen. Wanneer na zo'n twee weken het alcoholpercentage opgelopen is tot ongeveer 14 procent, sterven de gistcelen en stopt het gistingsproces.

 

De wijn onder de chapeau laat men naar tanks of vaten lopen en de overgebleven pulp (de chapeau) wordt geperst. Deze geperste wijn wordt soms weer bij de eerste wijn gevoegd. In de vaten of tanks komt de wijn tot rust, waarop er na de winter een tweede gisting volgt. Hierbij worden in twee tot drie weken appelzuren omgezet in melkzuren. Vervolgens wordt de wijn overgeheveld naar andere fusten om niet meer in contact te zijn met het bezinksel van de tweede gisting. Ten slotte wordt de wijn geklaard (helder gemaakt) en gebotteld.

Deze website maakt gebruik van cookies. Accepteer
x